Op 19 april 2013 keurde de Vlaamse Regering het omgevingsvergunningsdecreet een eerste keer principieel goed na een voorstel van de Vlaamse ministers Schauvliege (Leefmilieu) en Muyters (Ruimtelijke Ordening). Wat is het verschil met de aparte milieuvergunning en de stedenbouwkundige vergunning?
Dit decreet integreert de milieuvergunning en de stedenbouwkundige vergunning in één unieke omgevingsvergunning, die een permanent karakter krijgt. De omgevingsvergunning moet een grotere bedrijfszekerheid bieden, tegenstrijdige beslissingen vermijden en investeringen aanwakkeren. Ze vermindert ook de administratieve verplichtingen voor de bedrijven.
U hoeft dankzij het decreet maar één vergunningsaanvraag in te dienen. En er zijn maar één openbaar onderzoek en één adviesronde nodig. Resultaat? Een eenduidig besluit door één bestuur. Er komt een bestuurlijke lus die het mogelijk maakt opmerkingen tijdens het openbaar onderzoek nog te verwerken in het aanvraagdossier tijdens de procedure. Uit de stedenbouwkundige vergunningsprocedure wordt het 3-partij-overleg (initiatiefnemer, burger, overheid) overgenomen, zodat het voortraject van een vergunningsprocedure meer aandacht geniet. Meteen hebben burgers inspraak vanaf het begin. De milieu-inspectie zal de bevoegdheid krijgen om eenvoudige bouwovertredingen aan te pakken.
Er zijn twee vergunningsprocedures uitgewerkt. In de eerste plaats is er de gewone procedure, in de tweede plaats een vereenvoudigde procedure als geen openbaar onderzoek en geen advies van de milieuvergunningscommissie vereist is. Door de beperkte en gesanctioneerde beslissingstermijnen voor de vergunningsverlenende overheid wordt de procedure gemiddeld met 15 tot 20 dagen verkort.
De nieuwe omgevingsvergunning krijgt ook een permanent karakter. Toch zullen er twee types van evaluaties worden opgelegd. Voor GPBV-installaties zijn periodieke evaluaties verplicht als gevolg van nieuwe BBT-studies. En na een periode van 20 jaar zal het publiek inspraak krijgen. Als de opmerkingen van de burgers gegrond worden verklaard, kan de vergunningsverlenende overheid het voorwerp van de omgevingsvergunning beperken.
Het nieuwe omgevingsvergunningsdecreet voorziet ook een declassering (klasse 1 naar klasse 2A/2B) in twee fases. In de eerste fase wil men de 15.000 tot 20.000 klasse 1-bedrijven naar zo’n 5.000 herleiden. Een tweede declassering zal er komen op basis van TWOL-studies. De declassering betekent dat de provincies als vergunningsverlenende overheid decentraliseren naar de gemeenten. Er zal een versnelde procedure komen om alle gemeenten te ontvoogden, zodat ze de beslissingsbevoegdheid krijgen op vlak van stedenbouw. Voorlopig is er wel nog geen beslissing of deze declasseringen ook de verplichting opschorten om een milieucoördinator aan te stellen.
Door overgangsbepalingen is het mogelijk bestaande milieuvergunningen een permanent karakter te geven. Er komt een omzetting van rechtswege als:
• de aanvraag van de lopende milieuvergunning is ingediend vanaf september 2002,
• de aanvraag om omzetting wordt ingediend tussen 4 en 3 jaar vóór de einddatum van de milieuvergunning,
• er geen bezwaar werd ingediend tijdens de bekendmaking van de omzetting,
• de inrichting hoofdzakelijk stedenbouwkundig is vergund.
Ook bij de hernieuwing of de aanpassing van de lopende milieuvergunning kunt u een omzetting naar de permanente omgevingsvergunning aanvragen.
Het doel is tegen eind 2014 het omgevingsvergunningsdecreet in voege te doen treden. Ondertussen wordt het uitvoeringsbesluit uitgewerkt.
Wilt u weten wat de concrete impact van deze permanente milieuvergunning op uw bedrijf is? Neem contact op met Marjan Lissens, Senior Projectmedewerker Milieumanagement.
T +32 93 40 69 63
E marjan.lissens@tauw.com
Leg uw vraagstuk voor aan onze experts, wij adviseren graag.